Preventief en omgevingsgericht werken


Preventief en omgevingsgericht werken. Lukt dat nu wel, na de transitie?

De transitie en transformatie in het sociale domein vraagt van professionals een andere manier van werken, namelijk preventief en omgevingsgericht.

  1. Aansluiten bij de leefsituaties van ouders ter bevordering van eigen kracht.
  2. Werken aan sociale cohesie ten behoef van het pedagogisch klimaat in de wijk.
  3. Het mobiliseren en / of vergroten van het sociaal netwerk van ouders.
  4. Signaleren van risico’s en ingrijpen waar nodig.

Doornebal c.s. hebben onderzocht hoe professionals handen en voeten geven aan deze nieuwe werkwijze. 1)

Daaruit blijkt dat (CJG of sociaal wijkteam) professionals vaker aansluiten bij de leefsituatie van ouders en vaker risicosignalen oppakken. Minder vaak gebruiken zij het sociale netwerk van ouders en werken zij aan sociale cohesie. Kortom, de preventieve aspecten lijken sterker ontwikkeld te zijn dan de omgevingsgerichte.

Dat is een interessante conclusie. De vraag is hoe dat komt. De onderzoekers verklaren dit uit een ‘van nature’ gedrag van hulpverleners. “Bij zorgen wordt de professionele zorg geïntensiveerd en raakt het informele netwerk van de ouders uit beeld.” Het vermogen om de sociale cohesie in het bijzonder het pedagogisch klimaat te versterken, is minder sterk ontwikkeld. “Zij weten bijvoorbeeld niet hoe zij vrijwillige inzet van buurtbewoners kunnen stimuleren. (…) Zij hebben meestal wel een goed beeld van het sociale netwerk van ouders, maar zoeken weinig contact met dit netwerk en schakelen het netwerk ook niet actief in bij hulpvragen.”

Het is volgens mij niet alleen terug te voeren op de ‘reflex’ van hulpverleners om in te grijpen als er risico’s zijn. Het dominante ’schema’ blijft – ondanks de noodzaak van een andere manier van werken – dat de professional moet aansluiten bij de leefwereld van ouders en kinderen en dat professional en leefwereld niet kunnen samenvallen. Heel praktisch komt dat bijvoorbeeld tot uiting in het volgende. “Bovendien geven jeugdprofessionals aan dat ze meer tijd zouden willen steken in dagelijkse ontmoetingen met ouders, op elke dag van de week, in het winkelcentrum of op het voetbalveld. Formele werktijden helpen daar niet bij. Avonden en weekenden zijn geschikte momenten om ouders te treffen, maar dat verhoudt zich slecht met een eigen privéleven. Het is een dilemma waar jeugdprofessionals tegen aanlopen.”

Zolang een professional geen deel uitmaakt van de leefwereld (van het dagelijks leven) van ouders en kinderen, zal dat dilemma altijd blijven bestaan. Natuurlijk kunnen zij er voor kiezen om deel uit te gaan maken van die leefwereld, door bijvoorbeeld in de wijk, waar zij werken, ook te gaan wonen en buiten de formele werktijden te gaan werken. Dat eerste zal niet op grote schaal gebeuren. Het tweede – buiten kantoortijden werken – is heel goed te realiseren. Het hoeft ook niet iedere dag, al is het met enige regelmaat.

Met een beter aansluiten bij, of werken in de leefwereld van ouders en kinderen, ben je er nog niet. Een tweede knelpunt is namelijk dat jeugdprofessionals niet goed weten hoe zij het sociale netwerk van ouders kunnen mobiliseren. En hoe bevorder je het pedagogisch klimaat in de wijk? Dat is – zacht gezegd – geen eenvoudige opgave, zeker omdat er weinig concrete handvatten zijn voor die opgave. Allemaal opvoeders is daar wel een mooi voorbeeld van, maar de pedagogische civil society blijft enigszins ongrijpbaar, zeker bij probleemgezinnen of achterstandswijken.

Stel je nu eens voor dat professional (of vrijwillige hulpverlener) en leefwereld wel samenvallen. Sterker nog: de ‘professional’ maakt deel uit van de lokale samenleving en is naast professional ook buurman of –vrouw, klant bij de supermarkt, vrijwilliger op de sportclub. Dan kom je al ouder die ‘professional’ op verschillende momenten tegen. Dat hoeft niet altijd tot interactie te leiden, dat gebeurt mij ook niet als ‘gewoon’ burger. Die nabijheid is wel van belang waar het gaat om vertrouwen en kennis van de achtergronden (van problemen) en kennis van de sociale netwerken. Die regelmatige ontmoetingen zijn ook van belang voor het effect van eerdere interventies of hulp. Interventies die gedurende korte tijd zijn gedaan, hebben een minder duurzaam effect, dan regelmatige contacten die volgen op hulpverlening. Het is de herhaling (van ontmoetingen) die ‘wonderen’ doet. Uiteraard blijft ook in deze situatie het dilemma van werk en privé bestaan. Een volledig samenvallen is niet wenselijk en op termijn niet effectief, want uitputtend.

Er zijn genoeg voorbeelden van professionals die in de wijk wonen waar zij ook hulpverlener zijn. De meest bekende zal de dominee, priester of imam zijn. In de jeugdhulp zijn schitterende voorbeelden pleegouders en gezinshuisouders, maar ook steunouders en meeleefgezinnen. Deze ‘professionals’ en ervaren vrijwilligers richten zich op specifieke groepen, zoals uithuisgeplaatste kinderen en zijn niet primair betrokken bij de zorgstructuur in de wijk. Maar zij kunnen zeker een grotere rol vervullen voor het pedagogisch klimaat in de wijk. Dat is misschien veel gevraagd, maar de potentie is er wel degelijk. Daar richt een lokaal netwerk van gezinsvormen zich op. Een netwerk van diverse gezinsvormen ontwikkelen, waardoor er een weefsel ontstaat dat de basis kan vormen voor een effectief preventieve en omgevingsgerichte jeugdhulp.

1)

Ervaringskennis en dilemma’s van professionals in preventief en omgevingsgericht werken met ouders en kinderen. Doornebal, J. e.a. (2015). Journal of Social Intervention: Theory en Practice – 2015 – Volume 24, Issue 4

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s